We hebben er zin in
Onze verhouding tot de rest van de wereld vormt een open zenuw, aldus Peter van Lieshout, hoofdauteur van het WRR-rapport. Desondanks belooft de discussie over het rapport serieus en inhoudelijk te worden getuige de eerste reacties. Voor IS zal Peter van Lieshout de komende maanden over deze discussie reflecteren.
We waren gewaarschuwd. Het WRR-rapport over islamitisch activisme had een hevige, zij het korte, storm veroorzaakt. De speech die Prinses Maxima in 2007 hield bij het in ontvangst nemen van het rapport over de Nederlandse identiteit, zong drie maanden lang prominent door de media. De verhouding van Nederland tot de wereld er omheen is in dit land een open zenuw geworden. Dat was de afgelopen tijd ook in het debat over ontwikkelingshulp te merken. We waren dan ook benieuwd hoe ons WRR-rapport op dit terrein ontvangen zou worden. Fel? Inhoudelijk? Boos? Geïnteresseerd? Oppervlakkig?
We kenden de moderne wetten van de media. Steunbetuigingen worden niet gepubliceerd, kritieken wel. Koppenmakers vergroten verschillen graag uit. Meningen zijn populairder dan inzichten. Snelle reacties gebaseerd op een gedeeltelijke kennisname van de achterflap, worden verkozen boven gedachten die gerijpt zijn na het rustig lezen en verwerken van de inhoud. Dat beloofde wat.
En toen bleek het allemaal heel erg mee te vallen. Trouw had weliswaar de hand weten te leggen op een gedateerde concept-versie van het rapport – met dank aan een vooralsnog onbekende meelezer – maar berichtte daar op evenwichtige wijze over, al werden net die zinnen geciteerd die we in de definitieve versie hadden weggehaald. Ook de andere media begonnen kalm en afgewogen.
Sterker nog, de hoofdredactionele commentaren van Trouw, de Volkskrant, het NRC, het Financieel Dagblad en de Telegraaf stelden allemaal eensgezind en onverkort dat dit rapport vooral het kader moet gaan vormen voor het debat over de toekomstige vormgeving van ontwikkelingshulp. Geraadpleegde ex-medewerkers van de WRR die al lang met pensioen zijn, konden zich niet herinneren dat ooit eerder een WRR-rapport zo’n ontvangst te beurt was gevallen.
Natuurlijk waren er wat kleine ongeregeldheden. De ochtend na de presentatie van het rapport bekritiseerde de directeur van een christelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking het rapport in de Volkskrant omdat religie “voor zover ik gezien heb” ongenoemd blijft. Dat krijg je er van als je drie uur na het verschijnen van een rapport je kopij al moet inleveren en je niet op het idee komt om de tekst te downloaden van de site van de WRR en de ‘zoek’functie even te gebruiken. Een week later toonde ontwikkelingsorganisatie Oikos, die het rapport wel gelezen had, zich juist enthousiast over het feit dat religie een serieuze plaats gekregen had. Ook de koppenmaker van dit respectabele tijdschrift vertilde zich. Ter introductie op het rapport stond in grote letters ‘Stop de armoedebestrijding’ als ankeiler op de omslag van het vorige nummer.
Ondertussen zoekt iedereen naar een positie. Wat moet de PvdA doen als VVD, CDA, SP en Groen Links zich snel op hoofdlijnen achter het rapport stellen? Wat moet de minister voor Ontwikkelingssamenwerking zeggen, als hij niet wil dat zijn reactie, net als de eerste reactie van de MP op het rapport David, betiteld zal worden als selectief shoppen: wel enthousiasme tonen over een mogelijke verbreding van zijn eigen portefeuille, maar niet over het serieus professioneler gaan organiseren van ontwikkelingssamenwerking? En wat moeten alle andere betrokkenen in het veld: de kans op veranderingen ten goede benadrukken, of vooral zoeken naar punten waarop je van mening verschillen kunt? Politiek vernunft en mogelijkheden tot profilering zijn al vlug met elkaar in strijd.
Als de stroom van reacties op gang komt, blijkt wijsheid de overhand te hebben gekregen. Een verstandig, inhoudelijk debat over de toekomst van ontwikkelingshulp blijkt, gelukkig, heel wel mogelijk. We hebben er zin in.
Peter van Lieshout (op de foto rechts)
2010 | 