“Die olie is gif voor ons”, zegt Alicia Cahuiya (35). Ze woont met haar zeven kinderen in het afgelegen Ñoneno, aan de Shiripuno rivier in het Yasuni natuurreservaat. Yasuni, dat in 1989 door de UNESCO is uitgeroepen tot wereldmonument, is een walhalla van biodiversiteit. Het wordt schaars bevolkt door zo’n 2500 Waorani-indianen waarvan enkele honderden niets met de buitenwereld te maken willen hebben. Het klinkt bijna als het script van Avatar, de grootste Hollywood-blockbuster allertijden, waarin een sympathiek natuurvolk zijn bezielde oerwoud probeert te beschermen tegen gewetenloze westerlingen op zoek naar bodemschatten. In Ñoneno wonen twintig families met honderd kinderen in hutten op de hoge rivieroever. Alicia is strijdbaar. Ze heeft haar speer meegenomen en gezicht en armen beschilderd. Bij haar in de buurt wordt olie gewonnen door het staatsoliebedrijf Petroecuador, het Spaans-Argentijnse Repsol/YPF en een Chinese kongsi van Sinopec en CNPC. Volgens Alicia is olieafval van deze velden de oorzaak van huidirritatie en andere ongemakken van de inwoners. “De oliemaatschappijen stroomopwaarts gooien van alles in de rivier. Wij krijgen alle rotzooi over ons heen. Het rivierwater hebben we nodig om ons te wassen en om te drinken. De kinderen spelen erin en krijgen bulten.” Alicia Cahuiya en andere radicale Waorani-indianen willen daarom niets weten van de ontwikkeling van nog een olieveld in het Yasuni natuurreservaat.
Protesten
Onder de grond in een laag gelegen deel van het park dat Ishipingo-Tambococha-Tiputini (ITT) heet, liggen tegen de grens met Peru olievoorraden ter grootte van 850 miljoen vaten. Dat is bijna 20 procent van de nationale oliereserves die momenteel 4,5 miljard vaten bedragen. Staatsoliebedrijf Petroecuador had zijn zinnen gezet op de winning van de ITT-reserves. In 2007 onderhandelde de maatschappij achter de rug van de toenmalige minister van oliezaken Alberto Acosta met onder andere het Chinese Sinopec en met PDVSA uit Venezuela over concessies. Acosta, een populaire linkse politicus en econoom, nam ontslag als minster, maar keerde in 2008 terug als voorzitter van de machtige Grondwetgevende Vergadering die Ecuador een nieuwe Carta Magna heeft geven. Deze nieuwe grondwet verbiedt oliewinning in het Yasuni park, tenzij het nationale belang dat vereist.
De radicale milieubeweging van Ecuador lanceerde al eind vorig eeuw het idee voor een moratorium op de oliewinning in het Yasuni reservaat. Het linkse Acción Ecologica, een van de stuwende krachten achter het project, beschouwt het als een voorschot op het post-olietijdperk en ‘een revolutionaire breuk met de verstedelijking en het kapitalisme’. Na protesten en met de nieuwe grondwet als steuntje in de rug, won het idee vorig jaar aan politieke kracht. De regering van president Rafael Correa gaf na enig gemor het voorstel de zegen, mits buitenlandse donoren tot zeven miljard dollar zouden storten in een fonds dat wordt beheerd door de Verenigde Naties. Die zeven miljard staat ongeveer gelijk aan de marktwaarde van de 410 miljoen ton CO2 [KLEINE 2] die de wereld zou besparen door de ITT-olie te laten waar ze is. CO2 doet momenteel 17 dollar per ton.
Prijskaartje
Ook buiten Ecuador is lovend gesproken. “Dit initiatief verdient internationale steun”, zegt senior bankier Pavan Sukhdev. Hij is door Deutsche Bank gedetacheerd bij het Environment Programme van de Verenigde Naties en geeft leiding aan de Economics of Ecosystems and Biodiversity Study (TEEB), het Green Economy Report en het Green Jobs Report. Volgens Sukhdev past het initiatief van Ecuador binnen het concept van REDD: Reducing Emission from Deforestation and Degradation, waarbij overheden gecompenseerd worden voor de inkomsten die ze mislopen door het bos te beschermen. Maar over het prijskaartje wat daaraan hangt, moet volgens Sukhdev toch nog wel even onderhandeld worden. “Als ze die zeven miljard krijgen, zal niemand zo blij zijn als ik. Het zou betekenen dat de CO2-markt werkt. Ik moet mijn vrienden in Ecuador wel waarschuwen. Als Ecuador besluit alle olie onder de grond te laten, wordt diezelfde hoeveelheid olie misschien elders gewonnen. Een deel van de CO2-besparing lekt dus via andere kanalen weg. Dat moet op de compensatie in mindering worden gebracht. Over die korting moet onderhandeld worden.”
Verschillende Europese landen, waaronder Duitsland, België, Spanje en Italië staan sympathiek tegenover het idee. De Duitsers denken erover 30 miljoen euro per jaar in het fonds te storten, als anderen ook meedoen. De bijdragen van buitenlandse donoren komen in een fonds waaruit Ecuador jaarlijks een uitkering van minimaal 350 miljoen dollar over een periode van dertien jaar verlangt. Dat staat gelijk aan de periode die nodig zou zijn om alle olie onder het ITT-blok in Yasuni op te pompen en af te voeren. In het voorstel van Ecuador wordt het geld besteed aan natuurbescherming, armoedebestrijding onder indianen en de omschakeling naar duurzame energie.
Tranen in de ogen
De onderhandelingen over het project zijn echter plotsklaps verhard, nadat president Correa in januari tijdens een toespraak voor de nationale televisie ineens doodleuk verklaarde dat hij de opbrengst uit het Yasuni-fonds naar eigen inzicht wil besteden. “Wij zijn geen kolonie meer. Ik zal blijven ijveren voor het Yasuni-initiatief, maar zonder de waardigheid en onafhankelijkheid van Ecuador te grabbel te gooien”, aldus de president. In het buitenland was men zeer verbaasd, maar ook in eigen land regende het woedende reacties. Minister van Buitenlandse Zaken Fander Falconí nam ontslag. Eerder was hij in binnen- en buitenland nog een waar pleitbezorger van het concept. “Ons initiatief is zonder precedent. Het is innovatief in termen van conservering en overstijgt de doelstellingen van Kyoto (de klimaatconferentie vóór Kopenhagen, red.) wat betreft de reductie van CO2-emissies”, vertelde hij in december nog aan IS. Roque Sevilla, een bekend zakenman in Ecuador en voorzitter van het campagnecomité voor het initiatief, legde voor de televisiecamera’s met tranen in de ogen de voorzittershamer neer. Als de onderhandelingen over het Yasuni-initiatief spaak lopen, komt de exploitatie van olie in het ITT-gebied een stap dichterbij. In dat geval moet rekening gehouden worden met vreedzame protesten, zegt Sevilla. “Het ecologisch bewustzijn in Ecuador is veel groter dan in omringende landen. Elke regering die daar tegenin gaat, wordt geconfronteerd met politieke gevolgen die moeilijk te beheersen zijn.”
Giftige pijlen
De kans protesten in het oerwoud zijn inderdaad reëel. De Waorani indianen zijn bereid hun territorium met hand en tand te verdedigen. Een van hen is dorpsleider Penti Baihua (45). Op zijn visitekaartje staat Ome Gompote Kiwigimoni Huaorani: ‘wij verdedigen ons Waorani territorium’. Baihua verhuisde op zijn vijfde met zijn ouders naar een protectoraat dat was opgezet door Amerikaanse missionarissen die pakweg zestig jaar geleden als een van de eerste buitenstaanders vreedzaam contact zochten met de Waorani. Enkele broers, ooms en tantes van Baihua stierven tijdens hun verblijf in het protectoraat aan polio en andere ziektes. Op zijn achttiende trok de familie terug naar Bameno, een afgelegen nederzetting in het zuiden van het Yasuni-park. Na de ongelukkige episode in het missieprotectoraat zweert de gemeenschap van negentig zielen bij een traditionele leefwijze. In het verleden hebben Waorani’s oliewerkers van Shell, houtzoekers en missionarissen gedood met hun levensgevaarlijke speren. Een herhaling is niet uitgesloten. “Onze ouders wilden net als wij met rust gelaten worden. Verdedigen betekent voor ons doden”, zegt Baihua.
In Ñoneno aan de Sushufindi rivier staat ook Alicia Cahuiya klaar om in actie te komen. “Oliemaatschappijen, nooit van m’n leven. Wij willen leven met de bomen, zonder petroleros. Onze grootouders leefden gezond. Vroeger waren er geen ziektes, was er geen vervuiling. Wij Waorani verdedigen het bos. Wij laten geen nieuwe seismische onderzoekers, geen nieuwe wegen, geen oliewinning toe. Als het moet, gaan we er met z’n allen heen. Alle veertig nederzettingen. Met speren en giftige pijlen.”
Indianen sluiten zich af
Een paar honderd Waorani in het Yasuni park hebben alle contact met de buitenwereld verbroken. Het gaat om twee groepen, de Taromenane en de Tagaen, die als nomaden door het gebied trekken. Met hun wens om geïsoleerd te leven is het ernst. Op een wandkaart in een recent ingerichte controlepost bij een toegangsweg naar Waorani-gebied markeren gele stippen gewapende incidenten tussen deze indianen en ‘indringers’. Medio vorig jaar werd een moeder, afkomstig uit een nabijgelegen illegale nederzetting van kolonisten, met twee van haar kinderen vermoord aangetroffen. “Gedood door speren van de Taromenane”, zegt bioloog Paola Carrera van het ministerie van Milieu. Een derde kind van anderhalf jaar oud werd drie dagen later ongedeerd in het oerwoud aangetroffen. Het kind was ingesnoerd en achtergelaten na een ritueel. Twee kruislings in de grond gespieste lansen markeerden de plek. “Het was een jongetje. Ik denk dat de Taromenane het kind daarom hebben teruggeven”, aldus Carrera.
Tekst en beeld Ruud ten Hoedt
2010 | 