Een grijze, stoffige en smerige lucht dringt zich aan ons op als we drie weken na de aardbeving Port-au-Prince binnenrijden. De straten zijn weliswaar ‘schoon’ geveegd zodat er weer verkeer mogelijk is, maar nog altijd zien we overal ingestorte huizen, scholen en kerken. De ene straat is nog zwaarder geruïneerd dan de andere. Waar ooit een kantoorgebouw stond, liggen nu brokstukken van beton. Hier en daar steken een bureaustoel of -tafel uit het puin. Ik kende de beelden van televisie, natuurlijk, maar de werkelijkheid is vele malen intenser. Welkom in Haïti. Dit is mijn eerste kennismaking met mijn geboorteland.
Precies twee weken voordat ik op 25-jarige leeftijd voor het eerst ‘back to my roots’ zou gaan en voor een aantal maanden op het eiland zou verblijven, vond deze verschrikkelijke aardbeving plaats. Ook mijn wereld lijkt voor heel even ingestort. Ik zal mijn geboorteland nooit meer ontdekken zoals het ooit was. Om misverstanden te voorkomen: het doel van mijn reis was niet een Spoorloos-achtige zoektocht naar mijn biologische ouders. Ik plande er mijn afstudeeronderzoek voor de studie culturele antropologie. Op Haïti wilde ik onderzoek doen naar de restaveks, plattelandsmeisjes (5-14 jaar) die in ruil voor gratis onderwijs huishoudelijk werk verrichten bij gezinnen in de hoofdstad. Twee jaar lang heb ik me intensief voorbereid, en ook Creools geleerd. Hoe het nu verder gaat met mijn afstuderen is op dit moment nog niet duidelijk. Maar afstudeeronderzoek of niet, ik kon niet anders dan naar Haïti gaan om de mensen te bezoeken met wie ik de afgelopen tijd zo’n innig contact heb gehad.
Troost
“Welkom in mijn ‘nieuwe’ huis”, zegt eerstejaarsstudent economie David (22) een beetje ongemakkelijk als hij naar een opengebroken straatje wijst. David is een goede vriend van Stephann, een Haïtiaanse student die in België studeert en met wie ik samen naar Port-au-Prince reisde. David verontschuldigt zich dat hij mij niet meer kan bieden dan een slaapplekje op straat. Een tent heeft hij zelfs nog niet, zijn moeder gelukkig wel. Bepakt met een matje en een slaapzak grap ik terug dat wij in Nederland regelmatig voor de lol buiten en in tenten slapen. Het ijs is gebroken.
Het vieze straatje bevindt zich binnen de muren van een uitgebreid scholencomplex van schoolhoofd pater Pierre. Hij stelt het schoolterrein, dat ’s nachts op slot gaat, beschikbaar als veilige haven voor de buurt. Ook dit scholencomplex is getroffen door de aardbeving. “We hebben geen idee hoeveel kinderen en ouders zijn omgekomen. Het enige wat ik weet, is welke leraren en medewerkers er nog leven”, zegt Pierre.
Nog altijd hebben veel Haïtianen in het getroffen gebied niet of nauwelijks toegang tot de internationale hulpverlening en voedselpakketten. Lokale initiatieven vangen dat gemis voor zover mogelijk op. Het scholencomplex Basinmo in de wijk Carrefour van Port-au-Prince is een lokaal initiatief dat wordt gesponsord door kerkelijke organisaties. Hier kunnen de (oud-)leerlingen van de basisschool en middelbare school gratis eten en een veilige slaapplaats krijgen, en troost zoeken bij elkaar. Hoewel er op dit moment geen lessen zijn vanwege de maand van nationale rouw, spelen er heel veel kinderen op het schoolplein. Slechts de tenten tussen de speelrekken herinneren aan de ramp. Het wekelijkse jongerenkerkgroepje gaat ook gewoon door. David is tevens leider van de jongerengroep en zegt: “In deze onzekere tijden hebben we elkaar nodig om steun te zoeken. Ieder van ons heeft wel iets of iemand verloren. Gelukkig kunnen we hier even tot rust komen.”
Op straat
David en Stephann laten mij het verwoeste Port-au-Prince zien. Zodra we de veilige haven verlaten, komt de chaos op ons af en begrijp ik precies wat hij bedoelt met ‘tot rust komen’. We laveren door afval, varkens, honden, kippen, kinderen en toeterende taptaps (lokale busjes) die over het gescheurde wegdek proberen een weg te vinden tussen de vele mensen. Port-au-Prince ligt nog altijd in puin, maar het leven staat niet stil. De tijd van publiekelijk rouwen lijkt voorbij en de mensen zijn nu vooral bezig met overleven. Vrouwen verkopen op een kleedje zelfgemaakte spulletjes of voedsel op straat. Deze informele markten zijn door de hele stad te vinden. David legt uit dat ze nu zijn toegestaan, omdat er nauwelijks winkels open zijn. “Tja, het leven gaat gewoon door. Iedereen wil weer een huisje en kunnen eten.” Met name de mannen zijn druk in de weer met hout, stukken beton van ingestorte huizen en ander bouwmateriaal. Ze spannen touwtjes waar het nieuwe huisje moet komen te staan, terwijl zonen, neven en broers in de gloeiende hitte aan het bouwen zijn.
Tentenkamp
De schemering valt en we lopen terug naar het scholencomplex om ons klaar te maken voor de nacht. Oud karton met daaroverheen een laken moet een bed voorstellen. En zo wordt het schoolterrein omgetoverd in een grote slaapzaal.
Manouska (24) sluipt net voor het slapen gaan weg en ik volg haar. Zij slaapt samen met haar vijf zussen, moeder en oma in een tentenkamp iets verderop. Manoeska woonde voor de ramp met haar familie in een sloppenwijk, die nu volledig onbewoonbaar is. Haar oma besloot om haar kinderen en kleinkinderen mee te nemen naar een van de geïmproviseerde tentenkampen. Van bloemetjesprint voorziene lakens hangen over de takken, zij aan zij met tentdoeken van hulporganisaties. Een strak gespannen blauw zeil moet het eventuele regenwater tegenhouden. Haar vrienden weten niet dat Manoeska in dit kamp verblijft, ze schaamt zich. Ik slaap mijn eerste nacht in mijn geboorteland in dit tentenkamp en doe geen oog dicht.
Weeshuis
De volgende dag kom ik aan bij het weeshuis, Foyer des Amis, ook in de hoofdstad, waar ik een maand lang zou gaan helpen. Het weeshuis is een initiatief van de Nederlandse broeder Gerard, die daarnaast nog een werkboerderij heeft en een opvanghuis heeft voor meisjes die worden uitgebuit in het huishouden. Het meisjeshuis is helemaal verwoest. Voor het weeshuis word ik hartelijk ontvangen door de Haïtiaanse vrouw des huizes, Yvonne Lubin, een oudere dame met een kleurrijke doek om haar haren gewikkeld. Ze pakt mijn hand stevig vast en laat mij uitgebreid de schade zien. Nieuwsgierige kinderhoofdjes kijken verrast op als ze een vreemde gebrekkig Creools horen praten. Ze giebelen. De daadwerkelijke schade aan het weeshuis valt mee, maar toch wordt het gebouw weinig gebruikt uit angst voor een nieuwe beving. Het leven speelt zich voornamelijk af op straat. Koken, spelen, leren en slapen gebeurt allemaal buiten. De kinderen zijn druk in de weer met schoonmaken, kleren wassen en de warme lunch klaarmaken. Voor het eten wordt er hardop gezongen en gebeden. Het weeshuis beschikt over een verrassend goede internetverbinding. Met de laptops in hun geïmproviseerde openluchtbedden kunnen de tieners zich even onttrekken aan de ellende in hun eigen stad.
Helden
Sinds de aardbeving hebben zich opvallend genoeg niet veel nieuwe weeskinderen gemeld bij het tehuis. Yvonne legt uit: “De meeste mensen leven nog in shock en zijn alleen bezig met vandaag. Ze denken nog niet aan morgen.” Haïti kende al veel straatkinderen en wezen en dat heeft deze aardbeving natuurlijk alleen maar versterkt. Toch staan de meeste Haïtianen zelf niet te trappelen om weeskinderen te adopteren. Schoolhoofd pater Pierre: “Dat kost veel geld en dat gaat direct naar de corrupte regering. We kunnen dat geld beter gebruiken om het land op te bouwen dan in één enkel kind steken.” Het schoolhoofd legt uit dat Haïtianen gewend zijn om elkaar te helpen.“Mocht er een kind willen slapen en eten dat niet hier naar school gaat, dan kan dat altijd. In jouw ogen ben ik misschien een held, maar ik doe gewoon wat ik kan met de middelen die ik heb. De verkoopsters op straat geven zo nu en dan ook een bordje eten gratis weg, zonder dat jij dat ziet. Zij zijn evengoed helden, nietwaar?”
Wanhopig
Hier ben ik dan, na 24 jaar, eindelijk voor het eerst terug in mijn geboorteland. Ik voel veel pijn, maar ook een enorme trots als ik door ‘mijn’ verwoeste land slenter. Het is een keiharde eerste kennismaking die veel losmaakt bij me. In de eerste twee weken heb ik niets gemerkt van de gewelddadigheid van de Haïtianen waar de westerse media veelvuldig over berichten. Het doet me dan ook verdriet om dit soort berichtgeving te lezen. Ik heb één keer een voedselverdeling meegemaakt in een tentenkamp. Dat ging gepaard met veel militair vertoon, maar er was geen geweld van de kant van de Haïtianen. Ik weet natuurlijk niet of deze ervaring representatief is, maar in de straten van Port-au-Prince heerst geen gewelddadige sfeer. Het is er eerder chaotisch en levendig. In de allerarmste wijken zoals Cité Soleil kun je de stemming als wanhopig kenschetsen. Daar wacht men nog altijd op hulp. Hier zijn de mensen vooral boos op de regering, want, zo zeggen ze; weer worden de allerarmste wijken overgeslagen.
Thuis
Ik voel me inmiddels thuis bij mijn vrienden, kennissen en in het weeshuis, maar (nog) niet in de stinkende straten van Port-au-Prince. Waarom heeft dit land zo veel ellende te verduren? En zouden de mensen hier ooit weer bovenop komen? Ik hoop, nee, ik denk van wel. Een enorme oerkracht, die het enige volk ter wereld kenmerkt dat door een slavenopstand onafhankelijk is geworden, hebben de Haïtianen nog altijd in zich. Met structurele hulp van de internationale gemeenschap gaat het ze zeker lukken om sterker uit de puinhopen te voorschijn te komen.
2010 | 