2010 | 01

INTERVIEW: Steen in de vijver

Het zal geen storm veroorzaken zoals het Davids-rapport, maar toch: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid neemt ontwikkelingssamenwerking op de schop. IS sprak met het drietal dat verantwoordelijk is voor het spraakmakende rapport.“Je hebt een lerende organisatie nodig, en geen bureaucratische zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken.”
Tekst: Pieternel Gruppen en Hans Ariëns
Laat de WRR nog iets heel van ontwikkelingssamenwerking? Die vraag zoemde het laatste jaar rond in de sector, zeker nadat WRR-lid en hoofdauteur Peter van Lieshout in tv-programma’s al wat schoten voor de boeg had gelost. Dat er verwachtingsvol naar het rapport werd uitgekeken is een goed teken, vinden Van Lieshout en zijn co-auteurs. Het illustreert dat het debat over ontwikkelingssamenwerking, net als dat over migratie, inburgering en Europa weer springlevend is. Nederland bezint zich volgens de WRR op zijn verhouding tot de wereld. Wat is onze houvast, onze eigenheid en identiteit, in een globaliserende wereld waaraan we ons niet kunnen onttrekken? De wereld bij elkaar houden is volgens de WRR een handige strategie in een tijd waarin grote vraagstukken rondom voedsel, energie en veiligheid spelen.
In de veranderende wereld is de herijking van de hulp hard nodig, is de gepeperde conclusie van ‘Minder pretentie, meer ambitie, ontwikkelingshulp die verschil maakt’. Het is geen evaluatie van zestig jaar hulp, maar een even leesbare als doorwrochte analyse van knelpunten en mogelijke oplossingen. Nederland is zijn koppositie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking de laatste tien jaar kwijtgeraakt en kan pas weer aan gezag winnen als de boel flink wordt opgeschud, aldus het rapport. Leren, investeren in kennis, en professionaliseren is daarbij het credo. Economische ontwikkeling, in plaats van overdreven aandacht voor onderwijs en gezondheidszorg moet centraal komen te staan. Niet overal alles willen doen maar gericht na uitgebreide analyse een klein aantal landen en thema’s uitkiezen. Pas dan kan de Nederlandse hulp weer verschil maken.
In Van Lieshouts werkkamer met uitzicht op een winterse hofvijver in Den Haag is het nu een komen gaan van journalisten. Twee jaar, waarin hij zich afzijdig hield van de pers en nauwelijks iets losliet over zijn bevindingen, werkte hij in alle rust aan zijn onderzoek. Nu mag het circus losbarsten. Aangeschoven zijn ook medewerkers Robert Went en Monique Kremer. Van Lieshout vindt het belangrijk te benadrukken dat hij het rapport niet zonder hen had kunnen schrijven. Hij heeft de inbreng van Went, die zich al dertig jaar met macro-economie en globalisering bezighoudt en Kremer, deskundig op het gebied van migratievraagstukken, hard nodig gehad. Van Lieshout, van huis uit psycholoog en filosoof, boog zich bij de WRR in eerste instantie over de toekomst van de Nederlandse verzorgingsstaat.

Opeens was daar Peter van Lieshout. Expert maar tegelijkertijd onbekende in de wereld van ontwikkelingssamenwerking. Hoe is dat zo gekomen?
“Tja, door de vraag suggereer je al dat er een wereld bínnen en búiten de ontwikkelingssamenwerking is terwijl het juist productief kan zijn om vanuit andere sectoren naar ontwikkelingshulp te kijken. Een referentiekader voor mij is de Nederlandse gezondheidszorg. Daarbinnen wordt bijvoorbeeld ook al jaren gedebatteerd over het effect van medische hulp. Moeten dokters het laatste woord hebben zoals vroeger het geval was of is het beter als de patiënt bepaalt hoe de hulp het best gegeven kan worden? De gezondheidszorg heeft daar een zinvolle balans in gevonden. Ik zie de ontwikkelingssector nog altijd worstelen met het vraagstuk van paternalisme. Donoren hebben geld en vaak ideeën hoe dat te besteden maar voelen zich daar ongemakkelijk bij. Door een begrip als ownership (hulpontvangers beslissen over de bestemming van de hulp, red.) te introduceren willen ze de schijn van neokolonialisme wegnemen. Maar in de praktijk gaat het niet om een gelijkwaardige situatie. In het rapport gebruiken we dan ook niet de term ontwikkelingssamenwerking maar ontwikkelingshulp.”

Als buitenstaander kun je gemakkelijker de vinger op de zere plek leggen?
“Met enige distantie kijken heeft absoluut voordelen. Ontwikkelingssamenwerking is de laatste tien jaar een heel eigen wereldje geworden. Het is erg moeilijk om daarbinnen nog iemand aan te wijzen die duidelijk boven de materie kan staan . Zeker nu het debat zo wordt gedomineerd door sweeping statements. Aan de ene kant wordt geroepen dat de hulp alleen maar bij corrupte regimes terecht komt. Anderen pretenderen weer dat de armoede de wereld uit geholpen kan worden als je er maar een biljoen dollar tegen aan gooit. In dit klimaat is het makkelijker zaken ter discussie te stellen als je niet uit de sector komt. Vraagtekens zetten bijvoorbeeld bij de manier waarop de hulp gelijkgesteld wordt aan armoedebestrijding, zoals wij dat doen, zou vanuit de sector heel lastig zijn. Die aanpak is zo lang een mantra geweest dat je onmiddellijk uit de sector verbannen zou worden als je dat ter discussie stelt.”

Zegt u het maar. Wat heeft u eigenlijk tegen armoedebestrijding?
“Het Westen heeft de hulp vanaf de jaren negentig te klakkeloos op sociale sectoren gericht. Het verbeteren van de directe levensomstandigheden door bijvoorbeeld scholen en klinieken te bouwen is voorop komen te staan. Ook Nederland volgt deze internationale trend. Dat past in een cultuur waarin van ontwikkelingsorganisaties gevraagd wordt direct afrekenbaar te zijn en waarin de media meteen resultaten willen zien. In het rapport stellen we dat in sommige situaties armoede beter bestreden kan worden door te investeren in een opkomende middenklasse. Dat kan bijdragen aan de zelfredzaamheid van een land. In de zuidoost-Aziatische landen hebben we bijvoorbeeld gezien dat de gezondheidszorg en het onderwijs verbeterden toen er een stevige middenklasse opkwam die eisen ging stellen aan de overheid. Je moet ook op zoek naar de motor van een regio. Je kunt wel een project subsidiëren in Togo waar 2 miljoen mensen wonen, maar de impact daarvan is beperkt. Togo zal zich alleen ontwikkelen als Benin zich ontwikkelt en dat gebeurt pas als Nigeria zich ontwikkelt. Meer dan de helft van de inwoners van West-Afrika woont in Nigeria en ook meer dan de helft van de economische bedrijvigheid zit daar. Toch lopen de meeste donoren, ook Nederland, om Nigeria heen.”

Wat zou Nederland dan kunnen betekenen in een door corruptie en slecht bestuur geteisterd land als Nigeria?
“Nederland zou een heleboel kunnen doen. Bijvoorbeeld helpen de transportverbindingen beter te organiseren. Van de metropool Lagos naar de Ghanese hoofdstad Accra passeer je bij een afstand van een paar honderd kilometer 23 checkpoints. Je kunt ook denken aan het ontwikkelen van handelslijnen richting Westen.
Maar op de Nederlandse ambassade werken maar vier mensen. Interessant is dat de Engelsen met 85 man in Nigeria zitten. Zij hebben drie jaar geleden een strategische heroriëntatie ondernomen en schatten in dat Nigeria een regionale magneet kan worden die de rest van West-Afrika meeneemt. De Engelsen proberen eerst met een analyse te komen, zetten die op hun website en durven iedereen uit te nodigen kritiek te leveren. Zij hebben de keus gemaakt de ontwikkelingssector te professionaliseren. Wij doen dat niet en zijn zelfs aan het deprofessionaliseren.”

Wat is er dan bij ons misgegaan volgens u?
“Zo’n vorm van hulp als de Engelsen verlenen is veel minder makkelijk in een vorm te gieten die de Rekenkamer accepteert of de accountantsdienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De resultaten zijn niet eenvoudig te meten.
En het debat is bij ons altijd meer gevoerd in termen van doelstellingen dan van kwaliteit van de uitvoering. Een betere wereld vinden we mooi. Dat gaf de ontwikkelingssector lange tijd een comfortabele positie. De morele opdracht iets te doen aan schrijnende situaties stond buiten kijf. Maar de vraag hoe dat precies moet is een buitengewoon complexe kwestie die de politieke arena nooit heeft bereikt.”

Minister Koenders stelt dat hij in zijn moderniseringstrategie scherpe keuzes maakt. Maar volgens u doen we nog steeds te veel.
“Ja. Om te beginnen ontbreken in Nederland goede landenanalyses. Nu doen we alles. Niemand kan iets bedenken wat nog aandacht nodig heeft. Of het nou gaat om het bedrijfsleven, vrouwen of mensenrechten. In ieder land voor iedere groep doen we wel wat. Het zou veel effectiever zijn als we per land analyseren wat daar strategisch de beste invalshoeken zijn en proberen daarin het verschil te maken. Nu regeert de macht der gewoonte. We zijn al lang bezig met onderwijs in Uganda  dus we gaan door met onderwijs in Uganda, zonder te onderzoeken of onderwijs ook echt het grootste probleem is in Uganda. De economen van het IMF vinden het bijvoorbeeld onzin om in het Ugandese onderwijs te investeren. Vanwege de ligging van het land zien zij infrastructuur als grootste probleem. Omdat Uganda niet aan zee ligt ontbreken exportmogelijkheden. Dan kun je mensen scholen zo veel je wil maar die krijgen geen banen. Misschien hebben de economen van het IMF het mis maar laten we er op zijn minst over debatteren.”

Waar zou Nederland volgens u dan het verschil kunnen maken?
“De grootste opdrachten om armoede uit te bannen liggen in Afrika en India maar in dat laatste land willen ze geen hulp meer hebben. Ik denk dat Nederland zich op maximaal tien landen moet concentreren en op een beperkt aantal thema’s. Noorwegen heeft zich bijvoorbeeld gespecialiseerd in vrede en veiligheid. Bij Nederland zou je kunnen denken aan water, aidsbestrijding of internationaal recht. Daarbij is het natuurlijk belangrijk om in de wereld zelf te onderzoeken waar behoefte aan is. Daarvoor heb je een lerende organisatie nodig en geen bureaucratische zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken is. We hebben ontwikkelingshulp te weinig als een intelligent zoekproces georganiseerd. Dat klinkt misschien een beetje Easterly-achtig. (Amerikaanse econoom die ontwikkelingssamenwerking ziet als kleinschalig zoekproces, red.) Het probleem met William Easterly vind ik alleen dat hij een beeld oproept van losstaande individuen die los in Afrika rondlopen en een fantastisch idee krijgen dat ze opzetten met lokale mensen waardoor dynamiek en uiteindelijk ontwikkeling ontstaat. Een romantisch idee maar veel te simpel.”

Wat voor ‘zakelijk’ idee plaatst u daar dan tegenover?
“Wij stellen voor om de uitvoering van de hulp onder te brengen in een aparte organisatie die je bijvoorbeeld NLAid zou kunnen noemen. NL Aid veldkantoren in maximaal tien landen zouden in de buurt van de ambassade moeten staan zodat medewerkers makkelijk bij elkaar binnen lopen en (lachend) wat mij betreft samen personeelsfeestjes kunnen vieren. Als je met ontwikkelingshulp niet alleen wilt terugvallen op goede bedoelingen heb je een effectieve organisatie nodig die inzichtelijk maakt wat hulp doet. Zo uniek is dat niet. De Engelsen, Zweden, Noren en nu ook de Canadezen hebben hun hulp op deze manier georganiseerd.

Het Nederlandse beleid heeft een ander uitgangspunt: Koenders wil de hulp juist minder technisch, ‘politieker’ maken en daar past een stevige rol voor de ambassades bij.
“Het politieke spel moet wel gespeeld worden. Maar het is de vraag of een diplomaat die een aantal jaar rechten in Leiden heeft gestudeerd de juiste persoon is om een landenanalyse te maken. Dat is tot op zekere hoogte een vak apart. Waar heeft een land behoefte aan, waar liggen de kansen op de wereldmarkt, wat doen de concurrenten? Als je maximaal drie jaar als diplomaat ergens zit, ben je niet automatisch in staat deze complexe vragen te beantwoorden.”
Wordt hulp daarmee niet weer een technische aangelegenheid? Gaan we weer terug naar de ouderwetse ontwikkelingswerker?
“Nee, de tijd dat Nederlandse ‘technisch assistenten’ zelf waterputten sloegen is voorgoed voorbij. Dat zien we bijvoorbeeld ook aan de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. Die deden eerst ook alles zelf, maar subsidiëren nu vooral de maatschappelijke organisaties in het Zuiden. Wat we nodig hebben zijn hoogopgeleide vakmensen met specialistische kennis.”

En Nederland heeft zijn leidende positie op het gebied van kennis de afgelopen tien jaar juist weggegeven, beweert u.
“Ja, dus moet er weer gericht geïnvesteerd worden in kennis over ontwikkelingssamenwerking. Iedere volwassen sector, of het nu de gezondheidszorg of onderwijs betreft, heeft een fatsoenlijke research and development-structuur waarbinnen alles gezegd kan worden. Ontwikkelingssamenwerking is daar een uitzondering op. Als een medewerker van de RIVM bijvoorbeeld roept dat een bepaald geneesmiddel niet de markt op moet omdat het niet werkt, krijgt hij een bos bloemen. In de ontwikkelingssector zou iemand die iets vergelijkbaars zegt onmiddellijk worden afgeserveerd als teleurgestelde ex-ontwikkelingswerker. Het feit dat de kennisinfrastructuur bij ontwikkelingssamenwerking is vormgegeven in de vorm van draagvlakorganisaties zoals NCDO zegt al genoeg. (Op belerende toon):’We leggen nog eens uit hoe het zit’. Over paternalisme gesproken!”

Proeft u bereidheid in de sector om iets met uw conclusies te doen?
“Er komt dadelijk ongetwijfeld een reactie in de trant van: het klopt allemaal wel, maar dat kunnen we ook in ons bestaande systeem veranderen. Dan wordt het rapport een beetje doodgeknuffeld en vervolgens verdwijnt het in een la. Dat risico bestaat. Maar ik denk dat het klimaat rijp is voor vervolgstappen. Wat ik bijvoorbeeld winst vind is dat over de hele linie politieke partijen bezig zijn met de vraag waar het naar toe moet met de hulp. Je kunt wel een rapport uitbrengen op het moment dat niemand iets met het onderwerp heeft maar dan slaat het plat. Onze taxatie is dat die ruimte er nu is.”

Is die ruimte groot genoeg om weer internationaal voorop te lopen?
“Dat weet ik niet. Het gaat er in Nederland heel anders aan toe dan in de jaren zestig. Toen hadden we het idee dat we ons niet alleen tot de rest van de wereld verhielden, maar hadden we ook een actieve houding, en ideeën over de manier waarop we de wereld konden verbeteren. Nederland had vroeger veel meer ambitie op het gebied van ontwikkelingshulp, liep voorop. Nu is onze houding veel defensiever: ‘O jee, de wereld komt op ons af!’ We hebben het rapport niet voor niets de titel ‘Meer ambitie, minder pretentie’ meegegeven. Laten we er verdorie weer iets goeds van maken! Ook de foto op de voorkant met een berg pepertjes draagt met een knipoog die boodschap.”

Nu we het toch over ambitie hebben: zou u in de hulp verder willen? Eerste directeur van NLAid?
“Nu breng je het wel heel erg terug tot persoonlijke ambitie. Ik vind ontwikkelingshulp in elk geval wel extreem interessant. Intellectueel gezien komen heel veel boeiende thema’s in dit beleidsterrein samen.”

Van u in ieder geval geen nieuwe persoonlijk getinte bestseller over de hulp. U signaleert met afgrijzen een nieuw genre, ‘voer voor literatuurwetenschappers’.
“Al die hulpauteurs van de afgelopen jaren, van Jeffrey Sachs, William Easterly en Paul Collier tot aan Dambisa Moyo hebben als constante dat ze hun eigen geschiedenis of familie aanroepen om hun argumenten kracht bij te zetten. Dat maakt de analyse vaak kwetsbaar. Of de mensen die mij dierbaar zijn het met mijn analyse eens zijn, interesseert mij niet. Het rapport moet op zichzelf staan.”


Abonnee worden

Maandelijks op de hoogte gehouden worden van alle actualiteiten op het gebied van internationale samenwerking? 

Neem een abonnement op het gratis tijdschrift IS!

Ik wil graag abonnee worden
Ik wil iemand anders abonnee maken