“Eergisteren trouwde mijn zoon. Ik moest de bruiloft betalen en dat is een dure aangelegenheid. Dankzij de opbrengst van mijn saffraanvelden heb ik het kunnen betalen. Binnenkort kan ik ook een nieuwe quala (ommuurd huis, red.) op laten trekken. Ik heb het goed.” Boer Mohammed Hashin staat op zijn velden, een kleine kilometer van Kamp Holland. Hij gebruikt een Afghaanse oppervlaktemaat om de omvang aan te geven. “In het groene dal 4 girip, en 1,5 girip hier.” Het zijn hoger gelegen stenige zandgronden die met behulp van irrigatie productief te maken zijn. Zo dicht bij kamp Holland heeft hij weinig last van de Taliban, zegt hij, en is de opbrengst verzekerd. Hashin verwacht dat de saffraan met een goede week op zal komen.
Op een veld aan de weg van Tarin Kowt naar Deh Rawod groeit de saffraan van collega-boer Salam Jan. Hij leent even een digitale camera en beent naar zijn erf, waar wij niet mogen komen omdat zijn vrouw en dochters er werken. Even later toont hij vol trots een veld vol bloeiende saffraan op het schermpje.
Salam Jan en Mohammed Hashin zijn vernieuwers onder de boeren in Uruzgan. Ze horen tot de eersten van de nu ruim vijfhonderd boeren in Uruzgan die de papaverteelt verruilden voor saffraan.
Vrijbuiters
De opkopers van de saffraan, de gewilde stempels (stigma) van de krokusachtige saffraanbol, zitten even verderop de planten te onderzoeken. “Deze draden zijn nog te geel.” Lou Cuypers is gehuld in Afghaans gewaad – de salwar kameez - en tulband. Hij is de directeur van het in Kabul geregistreerde Blue Green World Limited. Cuypers doet het zonder baard. Zijn medewerkers Ron de Graaf en Niels Bohnen, die voorheen als special forces in Uruzgan actief waren, zijn met hun donkere baarden praktisch niet van Afghanen te onderscheiden. Dat moet ook wel, want ze tuffen zonder enige bescherming gewoon op hun lokaal gekochte brommertjes de poort van Kamp Holland uit om zaken te doen.
De drie Nederlandse ondernemers zijn vrijbuiters in allerlei opzichten. Cuypers was van origine jurist en bloembollenkweker in Baexem, Noord-Limburg, maar wilde de commerciële mogelijkheden van de saffraan verkennen. Hij begon in Spanje, maar vond daar de loonkosten voor de arbeidsintensieve teelt (400 manuren per kilo) te hoog, zo zegt hij. “Het kon niet uit in Spanje. We zochten een lagelonenland. Buitenlandse Zaken zocht naar ondernemers die in Uruzgan wilden pionieren. Na drie weken kregen we al akkoord op ons voorstel. We konden op hele aantrekkelijke voorwaarden van start gaan.” Cuypers en zijn eerste compagnon werden ondernemers in dienst van Buitenlandse Zaken en dekten zo hun risico af. Hun saffraanplannen waren ambitieus. “Wij zetten de hele keten op. We brachten honderd ton aan bollen binnen, trainden de Afghaanse docenten die de boeren moesten scholen, regelden droogmachines en namen de oogst af. Tegenover Buitenlandse Zaken hebben we alleen een inspanningsverplichting. Maar wij willen zeker ook resultaten zien.”
Bij saffraan vergt het wachten op de opbrengst enig geduld, omdat de tweede bloei pas een fatsoenlijke oogst oplevert. Na vijf jaar, zo luidt het plan, hebben de boeren voldoende bollen vermeerderd om het oorspronkelijke pootgoed terug te geven aan de Afghaanse maatschappelijke organisatie die als lokale samenwerkingspartner dient. De bollen worden dan verspreid over de provincie. En tegen die tijd, over drie jaar dus, is Blue Green World ook winstgevend, verwacht Cuypers. Voor de boeren begint het winst maken nu al. In 2008 werd door de 281 boeren die sinds 2007 meedoen rond de 50 kilo geoogst. Honderdvijfentwintig extra boeren mochten toen meedoen, met 100 ton plantgoed. In 2009 gingen weer tweehonderd nieuwe boeren van start en kwam de oogst uiteindelijk op zo’n 100 kilo uit.
Alternatief
Een rechttoe-rechtaan succesverhaal is het saffraanproject daarmee nog niet geworden. In de beginperiode was het spitsroeden lopen. Uruzgan was bar onveilig en de boeren waren wantrouwig. Cuypers: “Aanvankelijk ben je een westerling die nog niets heeft laten zien. We moesten ervoor waken om saffraan als alternatief voor de papaverteelt te presenteren. We beperkten ons ertoe de wereldmarktprijzen voor saffraan uit te draaien en boeren een economische keuze te laten maken. Gelukkig stegen die prijzen, terwijl de papaverprijzen zakten.” Bedreigingen van de kant van de Taliban bleven desondanks niet uit. Zeker niet toen Cuypers en co besloten een project met kippen en groentezaden te beginnen, speciaal gericht op weduwen. “Dat mag dus niet van de Taliban. Maar je mag hier potverdorie wel arme weduwen laten creperen voor je deur.”
Er waren ook onverwachte medestanders. Zoals de roemruchte krijgsheer Matiullah, die de beveiliging verzorgt voor de belangrijke weg tussen Tarin Kowt en Kandahar. “Wij durven het gesprek met hem aan en dan blijkt het een heel redelijk figuur die zelfs wat aan de onderdrukking van vrouwen wil doen”, merkt De Graaf op. Cuypers: “Hij waardeert dat wij diensten voor de gemeenschap verrichten en laat ons toe tot het konvooi dat wekelijks over de weg naar Kandahar trekt. En dat kost ons echt geen 3000 dollar per vrachtwagen, zoals wel beweerd wordt.”
Commerciële jongens
De samenwerking met Matiullah leverde hun het verwijt ‘zakendoen met warlords’ op. Het komt van hun formidabele vijand, Neerlands enige oorlogsverslaggever Arnold Karskens, die het sinds jaar en dag op de saffraanondernemers voorzien heeft. “Saffraan is geen opium voor het volk”, luidde zijn laatste bijdrage in dagblad De Pers. Hij ‘bewees’ in actualiteitenrubriek Netwerk dat er geen saffraan groeit in Uruzgan – in augustus, terwijl saffraan niet eerder dan in oktober opkomt. Sindsdien heeft Karskens het volledig verbruid bij de drie pioniers.
Ook bij de functioneel specialisten ofwel militaire ontwikkelingswerkers van het Provinciaal Reconstructieteam (PRT) heerst er nog wel eens scepsis, aldus Cuypers. “Ze zien ons als commerciële jongens te midden van de echte ontwikkelingswerkers. Terwijl Uruzgan juist in commercieel opzicht heel weinig te bieden heeft. Let wel: ik heb twintig jaar lang fouten mogen maken en van die fouten geleerd. Zij zijn hier voor zes maanden. Op het moment dat ze door hebben hoe het hier werkt, moeten ze hun koffers pakken – zo werkt het systeem.”
Eigenlijk zijn Cuypers en kompanen net zo goed ontwikkelingswerkers, maar dan wel met een eigen aanpak. “Dat je hier iets voor de mensen gedaan krijgt, geeft waanzinnig veel bevrediging. Maar wij doen niet zo aan theedrinken, verdiepen in de tribale verhoudingen en aanpassen aan de lokale cultuur. Dan gaan mensen gauw gebruik van je maken. We willen er kort op zitten en de zaak bedrijfseconomisch van opzet houden. Als je in de wensen van de Afghanen meegaat, lijdt de effectiviteit van het project daaronder.”
Permanente bezetting
Het driemanschap blijft voorlopig in Uruzgan, druk bezig met saffraan en tal van andere projecten, waaronder fruit-en amandelbomen, pistachenoten, een transportcentrum, kippen en groentezaden. Inmiddels hebben ze ook andere Nederlanders bereid gevonden in de saffraan- en pistachebusiness te stappen. Cuypers en co blijven in ieder geval tot 2014, staat er fier op hun ‘fab’(wooncontainer), dus ongeacht of de Nederlandse militairen blijven.
Cuypers: “We willen permanente bezetting hebben. Negen maanden per jaar zit ieder van ons hier op Kamp Holland. Dat is langer dan een militair of diplomaat. Dat vraagt wel wat. Maar thuis word je gauw onrustig. Hier in zaken gaan is een virus dat bezit van je neemt. Dat virus moet je hebben, anders verslap je. En ik zie het als een sport om met de mislukkingen in dit land te lachen – er gaat nogal wat mis. Zes van de zeven dagen val ik hier met een glimlach om de lippen in slaap.”
2010 | 