2010 | 01

REPORTAGE: Het belang van een stukje Afghanistan

De discussie over wel of niet blijven in Uruzgan gaat niet over Afghanistan.
Het belang van onze militaire aanwezigheid in Uruzgan voor de ontwikkeling van Afghanistan is niet groot.

Ze zullen er in Uruzgan van opkijken dat hun kleine provincie ( 300.000 inwoners, 1 procent van de Afghaanse bevolking) de Nederlandse politiek zo volledig splijt.
Kamp Holland, eind oktober. De Kamercommissie Defensie is voor een tweedaags bezoek in Afghanistan. Om de veiligheid van de leden te garanderen, mag er geen ruchtbaarheid aan worden gegeven. Maar de omzichtigheid gaat nog verder: de commissie besluit niet met de aanwezige pers te spreken vanwege de gevoeligheid van het ’dossier-Uruzgan’. De aanwezige pers, dat is het IS-team (schrijver dezes en  fotograaf Sven Torfinn) en de dappere freelancer Riekelt Pasterkamp (Defensie-bladen en Reformatorisch Dagblad). Voorwaar, geen Rutger ’GeenStijl’ Castricum of Jakhals Frank Evenblij, waar de Kamerleden zenuwachtig van moeten worden.
De Kamerleden slapen in hetzelfde ‘chalet’ als de pers, dus een ontmoeting op weg naar de toiletten valt niet te vermijden. Wat voor indrukken heeft de delegatie overgehouden aan het bezoek aan de vooruitgeschoven post Chora? Agnes Kant, geen lid van de commissie maar als fractievoorzitter zeer geïnteresseerd in een bezoek aan Uruzgan, is de enige die iets wil zeggen. Off the record. Ze is in verwarring gebracht door wat ze heeft gezien, militairen die echt aan wederopbouw doen. Daardoor ‘is er wel iets aan het schuiven’, zegt ze. Het eenduidige Haagse SP-standpunt (wij laten ons voor het karretje van de Amerikanen spannen) sluit niet aan op het complexe beeld dat Uruzgan biedt. Hulde voor de SP-leidster die bereid is haar standpunt te herzien, al is het dan off the record.

Partijpolitiek
Een goede week later verschijnt er op de SP-site een bericht dat Agnes Kant in Uruzgan is geweest, maar, zo wordt ze geciteerd, “Ik heb geen aanleiding gevonden om ons standpunt aangaande de oorlog in Afghanistan te wijzigen”. Nog weer een maand later heft Kant samen met Harry van Bommel in een opiniestuk de bekende SP-mantra aan dat het Nederlandse publiek ‘een vechtmissie als opbouwmissie verkocht wordt’. Het is het moment dat ik besluit het zwijgen te verbreken. Eenmaal terug op Nederlandse grond gaat het Kant blijkbaar om partijpolitiek en electorale belangen, niet om Afghanistan.

Van de kant van de Nederlandse regering, in dit geval minister Koenders, komt een diametraal tegenovergesteld geluid . De veiligheid in Uruzgan is toegenomen, er zijn meer hulporganisaties actief en daardoor gaan inmiddels meer kinderen naar school en heeft iedereen toegang tot gezondheidszorg. En dat is op het conto te schrijven van de gezamenlijke inzet van militairen, diplomaten en ontwikkelingswerkers.
Ook dat is te gemakkelijk geredeneerd, vindt Cordaid-directeur René Grotenhuis die in december Uruzgan bezocht. De veiligheid is er inderdaad toegenomen, stelde hij vast. Ter illustratie: deze keer sliep hij vijf nachten in Tarin Kowt zelf, terwijl hij bij een vorig bezoek vanwege de onveiligheid in het gebied niet van de basis Kamp Holland afkwam. Maar het is de vraag of dat zonder meer een Nederlandse verdienste is. “De dominante stammen in het gebied hebben twee shura’s gehouden en daar tot verzoening besloten. De stamleiders zeggen dus dat zij voor rust zorgen. Je kunt wel opmerken dat de Nederlanders daar twee jaar lang sensitief met de bevolking zijn omgegaan. Dat uit zich bijvoorbeeld in de aanstelling van tribale adviseurs. Ze hebben een enabling environment geschapen voor onderlinge arrangementen.”

Militaire bijdrage
Maar ter relativering van dit succes geldt nog steeds dat Uruzgan strategisch gezien van weinig belang is. “De Taliban concentreren hun activiteiten op Kandahar en Helmand. Zolang je niet op ze gaat jagen, heb je weinig last van ze. Uruzgan is gewoon niet het battle field van Afghanistan.”
De vraag of en in welke vorm Nederland militair in Uruzgan moet blijven, vindt Grotenhuis niet erg interessant voor de ontwikkeling van Afghanistan. “Je moet onze militaire bijdrage niet belangrijker maken dan ze is. Het gaat om 0,5 procent van de totale ISAF-troepenmacht in Afghanistan. Of wij er blijven, heeft voor het totaalbeeld vooral symbolische betekenis. De Amerikanen zien niet graag dat een land afhaakt.”
Inzoomend op Uruzgan maakt het wel uit wie er zit, denkt hij. “Amerikanen stampen eerder met hun olifantspoten door de porseleinkast. Zo hebben ze de strategie om lokale milities te bewapenen tegen de Taliban. Dan kom je terecht bij de militie van Mohammed Jan, de voormalige gouverneur. En ondermijn je gemakkelijk het fragiele stammenakkoord in Uruzgan.”

Vraagtekens

Het samenwerkingsverband van Nederlandse hulporganisaties, het Dutch Consortium Uruzgan, profiteerde ontegenzeggelijk van de Nederlandse militaire aanwezigheid, erkent Grotenhuis. De contacten tussen het DCU en het Provincial Reconstruction Team (PRT) van de Taskforce Uruzgan zijn prima. Ook voor DCU-lid Cordaid dat ook een eigen programma in de provincie uitvoert, geldt dat. Zozeer dat ‘onze collega’s opmerken dat we bij de militairen op schoot zitten’. “Je moet je natuurlijk verhouden tot de Nederlandse militairen. Maar wij zorgen wel dat we geen verlengstuk worden van het militaire apparaat. De balans is belangrijk: onze lokale partners moeten ook contacten kunnen onderhouden met de lokale Taliban als dat nodig is.”
Als het militaire avontuur in Uruzgan ophoudt, is het tijd voor een grondige evaluatie van het militaire ontwikkelingswerk, het PRT. Grotenhuis: “Ik zet vraagtekens bij veel van wat er onder die vlag gebeurt. Het is een heel duur concept: als Save the Children scholen bouwt, doet ze dat voor een kwart van de kosten. En het PRT zet sterk in op de hardware, schoolgebouwen neerzetten bijvoorbeeld. De software, de human ware, zoals onderwijzers, loopt daar behoorlijk bij achter.”

Bottom-up
De slecht functionerende Afghaanse staat blijft een belangrijke hinderpaal voor ontwikkeling. In Grotenhuis’ analyse zijn informele machtsstructuren vaak ook belangrijker dan het overheidsapparaat – zoals in Uruzgan gouverneur Assadullah Hamdam niet de machtigste man in de provincie is. “Ik snap wel dat de donoren, ook Nederland, hun geld vaak via de Afghaanse staat laten lopen. Als je buiten de overheid om werkt, ondergraaf je haar nog meer. De heersende opvatting is: er moet een sterke staat worden opgebouwd. Maar dat getuigt van een beperkte blik op wederopbouw. Mijn concept is dat de –Afghaanse - natie meer is dan de staat. De meest succesvolle programma’s van Cordaid werken bottom u, vanuit de dorpen. De opgave is dan wat lokaal gebeurt te verbinden aan het nationale niveau. Decentralisatie is hard nodig in Afghanistan.”

Droom en ambitie: de hoop van Afghanistan

Mansoor Zaki Mahsoom (22), opgeleid als wiskundedocent is medewerker van Masoad Milk, een melkbedrijf in de buurt van Mazar-E-Sharif. Hij houdt alle gegevens van de koeien bij in zijn computer. Mansoor woont bij zijn ouders en negen broers en zussen. In zijn vrije tijd leest hij politieke boeken en liefdesverhalen en speelt hij games zoals IGI Freedom Fighters.  “Ik droom van een prachtig Afghanistan, zonder oorlog en zonder stof. Dat kan nog steeds, al ziet de toekomst er nu niet bepaald zonnig uit. Zelf wil ik een goede leraar worden en als het kan mijn liefde voor oude Afghaanse gedichten en liederen overbrengen.”


Abdul Raziq
(25) studeerde Engels in Kabul en volgde er een cursus ‘Microsoft Office’. In Tarin Kowt is hij directeur van de provinciale tak van de Afghan Youth National and Social Organisation. “We hebben een onderzoek gedaan naar de behoeften van jongeren in Uruzgan en daaruit blijkt dat zij in de wederopbouw worden vergeten. Vooral meisjes hebben hier weinig mogelijkheden. Alleen rijke ouders kunnen hun kinderen vervolgonderwijs bieden, buiten de provincie. Veel meisjes en vrouwen zijn analfabeet. De autoriteiten hebben er weinig belang bij om ze scholing te bieden. Wat wil je ook, de directeur Onderwijs in Uruzgan kan zelf niet lezen of schrijven. Ook mijn eigen vrouw is helaas analfabeet. Gelukkig is mijn moeder geletterd. Zij heeft mijn vrouw nu onder haar hoede genomen.”

Emaduddin Ghorbandi (23) studeerde landbouw aan de universiteit van Balkh in het noorden van Afghanistan en werkt nu voor het Safety for Afghan Families programma van de VN in Jawzjan. Hij woont nog thuis, met zijn moeder, twee broers en een schoonzus. In zijn vrije tijd kijkt hij graag naar de Europese voetbalcompetities (“Ik ben een fan van Van Persie, Robben en Sneijder“), rijdt hij paard en volgt hij computercursussen. “Er is weinig perspectief voor jongeren in Afghanistan. Opleidingsmogelijkheden zijn beperkt en de Afghaanse cultuur is knellend. Als jongere tel je überhaupt niet mee, alle macht ligt in de handen van de ouderen. Ik droom van een Afghaanse maatschappij die kansen biedt aan jongeren en volwaardig meedoet aan de globalisering, dus heel erg ‘connected’ is. Ik hoop daar samen met mijn vrienden een steentje aan bij te kunnen dragen.”



Abonnee worden

Maandelijks op de hoogte gehouden worden van alle actualiteiten op het gebied van internationale samenwerking? 

Neem een abonnement op het gratis tijdschrift IS!

Ik wil graag abonnee worden
Ik wil iemand anders abonnee maken