- Adoptie kan levens redden. Maar wijdverbreid amateurisme en de aangezwollen geldstromen creëren misstanden bij adoptie uit ontwikkelingslanden.
- Adoptiekinderen en hun (biologische) ouders betalen het emotionele gelag. En hoe weten de westerse adoptieouders of de adoptie ‘eerlijk’ tot stand is gekomen?
Een Nederlands paar is voor een buitenlands adoptiekind minimaal 11.000 euro kwijt. En, zegt emeritus hoogleraar adoptievraagstukken René Hoksbergen. In de Verenigde Saten komen bedragen tot 40.000 euro voor. Hoeveel kinderen jaarlijks wereldwijd door het ‘interlandelijke’ adoptie-wormgat flitsen, is niet precies bekend. Adoptie-instellingen zijn nogal eens laks met registratie. Naar schatting gaat het om ruim veertigduizend kinderen, omgerekend een half tot anderhalf miljard export-import euro’s per jaar.
Verontwaardigd? Stop! Pak nu eens een andere bril. In China, India, Pakistan, Colombia en andere landen slijten miljoenen kinderen onzichtbaar hun dagen in tehuizen. Daar is het zelden leuk. Zowel fysiek als emotioneel raken ze ver achter op landgenootjes die opgroeien in familieverband.
Een andere Nederlandse adoptiedeskundige, hoogleraar Femmie Juffer van de Universiteit van Leiden, deed er wereldomspannend onderzoek naar. “Bij al die tehuiskinderen zijn adopties een druppel op een gloeiende plaat. Maar als kinderen jong geadopteerd worden, lopen ze hun achterstanden verbazend snel in.”
Commercieel
Zorgvuldigheid, daar draait alles om bij adoptie. Maar de ‘marktvraag’ in het Westen groeit. Bij kinderloze paren, uit idealisme, of zelfs als statussymbool. Celebrities als Madonna maken goede sier met liefdadigheid. Dat is luilekkerland voor kinderhandelaren. In 1993 werd daarom de internationale Haagse adoptieconventie afgesloten. Daaraan nemen inmiddels 71 landen deel. Na lang treuzelen doen ook de twee grootmachten in het adoptienetwerk mee: China en Amerika. De conventie stelt het belang van het kind voorop. Oplossingen in eigen land hebben de voorkeur. Adoptie geldt als laatste redmiddel. Deelnemende landen moeten een eigen autoriteit hebben, die adopties registreert en vergunningen verleent voor bemiddeling. In Nederland is dat het ministerie van Justitie. Zeven instellingen hebben een vergunning voor bemiddeling. Adopteren is hier duur gemaakt om een drempel op te werpen tegen impulsadopties. En met het bedrag moeten de “onkosten” worden gedekt van opvangtehuizen en bemiddeling.
Het probleem is dat zulke geldstortingen de ‘aanbodzijde’ (de haallanden) verleiden tot misbruik en nonchalante adoptiebemiddeling. Hoogleraar Hoksbergen noemt de financiële prikkel de grootste zwakte van het adoptiebeleid. Klopt, vindt ook voorzitter Hilbrand Westra van United Adoptees International Nederland, UAI-NL. UAI is één van de kritische organisaties van mondige westers opgegroeide geadopteerden. Scherp stellen zij de tegenstrijdige ervaringen aan de kaak waarmee zij in de blanke samenleving worden geconfronteerd. Westra - zelf op 4-jarige leeftijd uit Zuid-Korea geadopteerd: “Ondanks alle lippendienst aan de kinderbelangen, staan eigenlijk de adoptieouders en de commerciële belangen van bemiddelaars voorop.” Voormalige adoptiekinderen voelen zich vaak weggeroofd en twijfelen of hun moeder indertijd wel goed is geholpen. Relatief veel geadopteerden belanden bij hulpinstellingen en voor de rechter. “De Haagse Conventie mist een gedragscode, sancties en een handhavingssysteem”, klaagt Westra. “Maar internationaal vangen wij met een pleidooi daarvoor voortdurend bot.”
Onder druk
Verworden tot kinderhandel, of een effectieve daad van mededogen? Het adoptiedebat is emotioneel. Adoptie-ouders onderstrepen de goede bedoelingen. Vaak zagen óók zij onthutsende tv-documentaires over spookachtige kindertehuizen in Korea (jaren vijftig), Roemenië (jaren negentig), China (jaren tachtig) of Bulgarije (vorig jaar). Hoogleraar Juffer: “Zulke mensen wilden helpen met adoptie, maar ook met andere hulpprojecten. Dat mag ook best eens worden genoemd.”
Maar toch, steeds weer die schandalen. Vorig jaar nog de affaire rond het Indiase jongetje Rahul. Maar liefst 350 Indiase kinderen (van wie er vijftig naar Nederland gingen) bleken onder verdachte omstandigheden te zijn geadopteerd vanuit een Indiaas tehuis. Ook de Nederlandse vergunninghouder Meiling had die leverancier niet goed gecontroleerd.
Begin dit jaar klonk een nieuw soort kritiek. “Hoe zit het met de moeders die hun kind afstaan?” vroeg onderzoekster Pien Bos zich af. “Hoe vergaat het hen tijdens hun zwangerschap, rond het afstand-doen en daarna?” Bos deed haar promotie-onderzoek in de Indiase deelstaat Tamil Nadu. Voor het eerst liet zij biologische ouders in een ontwikkelingsregio aan het woord over hun beslissing. Dat leverde verrassende leerstof op. Om te beginnen ontdekte Bos dat veel Tamil adoptiekinderen niet van ongehuwde moeders komen, zoals altijd werd gedacht, maar van getrouwde stellen. Verwarrende kwestie. Toch concentreerde Bos zich op de meest machteloze groep: de ongetrouwde moeders. Onthulling nummer twee was dat die vrouwen zwaar onder druk worden gezet in de opvangtehuizen, waar zij heen vluchten voor de smaad die ze verwachten in hun eigen omgeving.
Bos: “De staf van die tehuizen redeneert vanuit een conservatieve middenklasse denkwereld: ongetrouwd moederschap zou een sociaal onhoudbare situatie zijn. Sta je kind af, houd het geheim en begin een nieuw leven, krijgen ongehuwde moeders te verstaan. Maar sommige vrouwen rooien het best met hun kind alleen. In de panieksituatie waarin ongehuwde moeders zo’n loodzwaar besluit moeten nemen, hebben ze vooral onbevooroordeelde ondersteuning nodig. Getrouwde vrouwen krijgen wel afgewogen advies, maar bij ongetrouwde moeders zien instellingen het nut er niet van in.”
Verder bleek dat veel moeders het tekenen van adoptieformulieren slechts opvatten als uitbesteden, niet als wezenlijk afstand doen. “Moederschap is voor Tamilvrouwen iets fundamenteels, dat niet overdraagbaar is.” Die beleving staat haaks op het overheidsbeleid, dat juist contact in het latere leven tegengaat. Vrouwen kunnen niet vrij beslissen of de latere gevolgen goed overzien.
Ambassades
Het allerbelangrijkste is volgens René Hoksbergen dat het afgelopen moet zijn met betalen voor kinderen. Pien Bos beaamt dat: “Het is ook onlogisch. Zo’n tehuis in India is juist goedkoper uit wanneer het kind vertrekt.” Sterker nog, meent Hoksbergen: “Als een land ons blijkbaar nodig heeft om zijn eigen kinderen veilig groot te brengen, dan moet het óns betalen!”
Veel zaken vragen om internationale afspraken. Femmie Juffer wil in het Haagse adoptieverdrag graag extra inbreng voor de biologische ouders, ook voor vaders wanneer dat kan. Bindende internationale wetgeving, zoals UAI-NL voorstaat, lijkt Juffer voorlopig niet haalbaar. Hilbrand Westra: “Eigenlijk moet er een Internationale Adoptie-autoriteit komen, die statistieken bijhoudt, vergunningen bekijkt en ook verder letterlijke praktijktoepassing van de Haagse conventie controleert.”
Pien Bos oppert een steviger inbreng van Nederlandse ambassades in haalregio’s als Azië en Latijns Amerika. Uitstekend, vindt Hokbergen: “Ambassades kunnen bij adoptie persoonsgegevens controleren. En professionalisering van opvanginstanties bevorderen, ook financieel.” Hilbrand Westra onderschrijft dat: “Het was indertijd onze ambassade in Thailand die misstanden aankaartte bij adopties uit Cambodja, waarna dat land snel maatregelen nam.”
Wat vinden de ontwikkelingsorganisaties?
Onderzoeker Pien Bos pleit voor betere ondersteuning voor zwangere vrouwen. “Uit het hart gegrepen!”, roept Bep van Sloten van Better Care Network Nederland, waarin organisaties als Defence for Children, Unicef, Cordaid en Wereldkinderen (Nederlands grootste adoptievergunninghouder!) samenwerken aan “adoptie de wereld uit en pleegzorg in eigen omgeving in plaats van internationale adoptie”. “Ik heb het meegemaakt in Roemenië. Zet in op lokale opvang, ondersteuning voor moeders, maatschappelijk werk in kraamklinieken enzo, en het aantal moeders dat afstand doet, halveert.”
“Ook voor onafhankelijke toetsing van adoptiebesluiten is opleiding nodig”, mijmert programmaleider Mariëlle Bruning bij Defence for Children: “Met geld van Ontwikkelingssamenwerking hebben wij al opleidingsprojecten lopen in Georgië en Rusland. Training voor maatschappelijke werksters inzake adoptie past zeker in ons pakket.”
India-medewerker Koen van Kessel bij Novib is voorzichtiger: “Gaat het over veel moeders, helpt het ook op termijn? Maar betere ondersteuning voor zwangere vrouwen als aandachtspunt bij bredere projecten voor mondigheid of gezondheidszorg voor vrouwen, waarom niet?”
Once a mother, Pien Bos, ISBN: 9789090224534
www.bettercarenetwork.nl
Gezinsuitbreiding
In de kinderkamer van Love staan nu nog een gereedschapskist en een strijkplank uitgeklapt. Op de kast, nog in plastic verpakt, wacht een bruine babypop en aan de muur tikt een échte klok uit Haïti, gekocht tijdens een ontmoetingsdag van de vereniging Wereldkinderen. Naast het meegroeibedje staat een speelgoedkist met Nijntje en haar gekleurde ‘vriendin uit een ver land’ Nina erop geschilderd. Want Love moet straks in haar nieuwe thuis met witte ouders en wit zusje wel iets van haar bruine zelf terugzien. Nog een week en Diane (45) en Ronald (47) uit Amsterdam stappen mét dochter Merel (7) in het vliegtuig om de nu driejarige Love uit een kindertehuis in Port-au-Prince op te halen.
Ronald: “Het is zó ingrijpend om een kind uit z’n eigen cultuur en van alles wat vertrouwd is, weg te halen. Maar Love zat al in dat huis ter adoptie. Dus als wij het niet hadden gedaan, had iemand anders het gedaan. Natuurlijk hadden we ook een kindje in een ander land financieel kunnen steunen, maar we wilden in de eerste plaats gewoon nog iemand in ons gezin opnemen. En op de natuurlijke manier ging dat niet.”
Ze zijn duidelijk niet over één nacht ijs gegaan en vooral Diane lijkt wel een wandelende encyclopedie. Iedereen die onderzoek heeft gedaan of heeft geschreven over adoptie, kent ze. En dus kent ze ook de kritische geluiden en misstanden die soms aan het licht komen. Ronald: “En dan hoop en bid je alleen maar dat het bij ons wel goed is gegaan en dat Wereldkinderen de boel wel goed controleert.” Diane: “Maar daar heb ik wel vertrouwen in.”
Hoewel vervelende opmerkingen nog zijn uitgebleven, vroeg afgelopen week wel iemand bij de koffieautomaat op het werk van Diane waar zij haar kind ‘gekocht’ had. Door types als Madonna kan Ronald zo’n opmerking wel begrijpen. “Voor de buitenwereld gaat zij gewoon na drie weken met een kindje naar huis. Het voortraject wordt er niet bij gezegd. En het zou ook maar zo kunnen dat er regels naar haar hand zijn gezet.”
Kritisch zijn, is goed. Maar toen Diane bij een voorlichtingsavond Hilbrand Westra, voorzitter van een vereniging van kritische geadopteerden, hoorde, vond ze als aspirant adoptieouder wel dat hij een beetje doorsloeg. “Ik begrijp het wel, want hij is natuurlijk van een andere generatie. Die kreeg een Hollandse naam – zijn eigen land en cultuur bestónden niet meer.” Ronald en Diane willen dat anders doen. Ze staan al op een mailinglijst van andere ouders met kinderen uit Haïti. En ze zijn vast van plan die kinderen onderling contact te laten houden. En ze kunnen altijd later, als Love dat wil, de moeder gaan zoeken. Haar gegevens zijn bekend. Diane ziet het wel voor zich om met haar twee dochters vrijwilligerswerk te gaan doen in een Haitiaans kindertehuis. “Het is nu natuurlijk geen vakantieland waar je leuk naartoe kunt gaan. Maar dát kan wel.” "Zoektocht naar mezelf"
Zwartwit behang, een zwartwitte stoel, een knalroze salontafel met paaseitjes in een schaaltje. Het enige in haar huis dat zou kúnnen verwijzen naar haar Colombiaanse roots, zijn de her en der opgestelde Mariabeeldjes. En indirect haar kunstwerken in het zijkamertje: lichtbakken met filmische foto’s waar Fabiola Veerman (30) soms zelf op figureert. Op de één blikt ze in habijt devoot richting raam, op de ander zit ze met een Chiquita doos over haar hoofd aan tafel tussen haar twee blanke ouders in. “Ik ben een exportproduct. Net als bananen. Adoptie is niet mijn thema, maar ik werk wel met verwante ingrediënten: identiteit, gevangenschap, cultuurkloof.”
In het eerste jaar op de Rietveldacademie deed Fabiola vooral naaktperformances. Ze maakte zichzelf daarbij altijd donkerder dan ze is. “Mijn studentenperiode was inderdaad één grote zoektocht naar mezelf. Kunst heeft alles te maken met jezelf willen neerzetten en presenteren aan de buitenwereld. Ik denk dat ik uiteindelijk wel berusting heb kunnen vinden doordat ik voor de kunst heb gekozen.”
In de vensterbank staat in een goudkleurige lijstje een wel heel speciale foto. “Toen was ik zo’n vier maanden. Het is de enige foto die ik heb uit Colombia. Een collega van mijn vader ging in de tijd toevallig naar Bogotá en heeft me gevonden in het kindertehuis waar ik meteen na de bevalling door de nonnen naartoe ben gebracht. Mijn moeder woonde in een industriegebied buiten de stad. Om de schande te ontlopen is ze naar Bogotá gegaan. Ze was ongehuwd en heel jong. Op haar vijftiende kreeg ze mij.”
Amper een half jaar oud kwam Fabiola terecht in het rijke, toen nog volstrekt witte Bussum.“Je werd alleen geaccepteerd als je uit Indonesië kwam. Dat gaf dan nog wel status. Maar ze wilden echt niets te maken hebben met een negerkindje. Ik voelde me altijd zielig en verstoten. Dat besef kwam al op jonge leeftijd. Natuurlijk wilde ik op zoek naar mijn moeder. Maar dat écht doen, was toch lastig. Ik voelde me ondankbaar. Op m’n zestiende ben ik weggelopen van huis. Toen hebben mijn ouders via Wereldkinderen een privé-detective ingeschakeld en is er een jaar gezocht naar mijn moeder. Natuurlijk vonden zij dat ook belangrijk: om mij toch dat stukje van de puzzel te geven. Ze hebben haar gevonden en we gingen schrijven. Na een jaar hebben we haar uitgenodigd. En toen is het helemaal misgelopen. Want m’n moeder wilde met al haar kinderen, tweelingzusje, ooms en tantes en neven en nichten komen. Toen wij aangaven dat we écht niet voor tien mensen tickets en onderdak konden regelen, werd ze zo woedend dat ze alle contact heeft verbroken. Dat was eigenlijk de tweede keer dat ze me heeft verstoten. Daar heb ik het wel moeilijk mee gehad.”
Op een gegeven moment kreeg Fabiola een brief van haar twee jaar jongere zus. “Zij is non en ze schreef dat ze voor vijf jaar was uitgezonden naar een klooster in Granada. En of ik haar wilde ontmoeten. Dat was toch wel één van de hoogtepunten van m’n leven. Want ik zag eindelijk iets van mezelf in iemand terug.”
Natuurlijk wil ze graag naar Colombia. “Maar mijn familie schijnt in het meest gewelddadige gebied te wonen en mij is gezegd dat het onmogelijk is daar als buitenstaander te komen. Zelfs ik als Colombiaan. Ze zouden me zien als verrader en ik zou het er niet overleven. Mensen zeggen vaak: ‘Je zult wel blij zijn dat je bent geadopteerd.’ Maar daar kan ik niets mee. Want misschien had ik anders niet meer geleefd. En dat was dan mijn leven geweest.”
Over adoptie is ze hoe dan ook ‘heel dubbel’. “Ik vind het heel nobel om iemand een beter leven te willen geven. Maar de gevoelens van een geadopteerde worden onderschat. Niemand kan zich voorstellen hoe heftig dat kan zijn. Kán zijn. Want mijn twee jaar oudere broer, ook uit Colombia geadopteerd, is helemaal niet geïnteresseerd in wie zijn ouders zijn.”
Of ze ooit zelf een kindje zou adopteren? “Nooit! De zwaarte waarmee ik heb moeten leven, zou ik nooit iemand anders aandoen. Dat klinkt wel heel dramatisch, maar je hebt steeds die vragen: ‘Waar hoor ik bij. Ben ik goed genoeg?’ En dat heeft echt niets te maken met hoe liefdevol je adoptieouders je opvangen. Want dat hebben ze wel écht gedaan.”
Back to my roots
Door Talitha Stam
Toen ik een baby van 15 maanden was, kwam ik als adoptiekindje uit Haïti naar Nederland. Te jong om mij nu nog iets van het land te herinneren. Mijn beeldvorming over Haïti is net als bij de meeste mensen gevormd door de westerse media. Dat beeld is erg negatief en het wordt toeristen zelfs met klem afgeraden om naar het land te reizen.
Toch ben ik van plan om deze zomervakantie voor het eerst terug te keren naar mijn geboorteland. Niet zo zeer om mijn biologische ouders te zoeken, want daar heb ik vreemd genoeg nooit behoefte aan gehad. Ik kom zeker niet uit een perfect gezin, maar mijn adoptieouders zijn wel echt mijn ouders. Als puber heb ik ook nooit tijdens een ruzie met mijn ouders gezegd: “Jullie zijn mijn echte ouders toch niet”, of iets dergelijks. Verder weet ik ook niet veel van mijn biologische ouders. Over mijn biologische vader is niets bekend en van mijn biologische moeder weet ik haar naam en leeftijd. Ze is slechts tien jaar ouder dan ik! Of ze nog leeft, weet ik niet, maar daar ben ik ook niet benieuwd naar. Ben ik nu een slecht persoon?
Wel ben ik erg nieuwsgierig naar het land, het kindertehuis waarin ik woonde voordat ik werd geadopteerd, de mensen, de cultuur en het dagelijks leven in Haïti. Daarom ga ik in de zomer een aantal weken vrijwilligerswerk doen in het kindertehuis waaruit ik ben geadopteerd. Ik vind het best spannend om alleen terug te gaan naar mijn geboorteland, maar heb wel het voordeel dat ik al reiservaring in ontwikkelingslanden heb opgedaan. Ook vangt het kindertehuis vrijwilligers goed op.
Als journaliste zie ik voor mezelf een taak om in de toekomst meer en positiever te berichten over Haïti. Wellicht komt het eerste verhaal al over een aantal maanden!
- Liberia en Togo hebben onlangs hun grenzen gesloten voor internationale adoptie omdat bleek dat er druk werd uitgeoefend op jonge moeders om hun kind af te staan.
- Een deskundigencommissie onder leiding van oud-Tweede-Kamerlid Ella Kalsbeek (PvdA) moet het Nederlandse adoptiebeleid doorlichten. In juni verschijnt het eindrapport.
- Minister Hirsch Ballin van Justitie liet de Rahul-affaire (Indiase ouders willen adoptiekind terug dat als peuter ontvoerd zou zijn) natrekken. De uitkomst: het toezicht op de Nederlandse adoptiebureaus wordt verscherpt en ze moeten professioneler gaan werken.
- Franse stellen die vorig jaar een ‘weeskindje’ uit Sudan wilden adopteren, moesten 2800 tot ruim 6000 euro neertellen. De Franse ‘ontwikkelingsorganisatie’ Zoe’s Ark had er 103 in de aanbieding. Later bleek het merendeels om verhandelde Tsjadische kinderen te gaan. Acht Zoe’s Ark medewerkers zijn voor kindersmokkel aangeklaagd.
2008 | 