“Als je iemands erf oploopt, kondig je jezelf altijd aan. Hodi, zeg je dan.” De gidsen van het toerismeprogramma Rungwe Tea & Tours kijken elkaar even aan. Voor hen, allen Tanzanianen, is de informatie die ze tijdens deze koffietoer krijgen niets nieuws. Maar de koffieboer die de toer leidt, behandelt hen vandaag ook niet als Tanzanianen, maar als toeristen. De gidsen zijn op cursus bij hun collega´s.
De koffieboerencoöperatie (KNCU) in Moshi (Noord-Tanzania) kwam in 2002 op het idee hun sterk dalende inkomen aan te vullen met inkomsten uit toerisme. Het project is inmiddels drukbezocht. De theeboerenassociatie in Rungwe, een district aan de andere kant van het land, zag ook brood in dit plan, en ging in 2006 van start met Rungwe Tea & Tours. Voor de ins and outs van het rondleiden zijn ze te gast in Moshi.
Eerder die ochtend vertelde de projectleider van het KNCU Tourism Project, Emilson Malisa, dat er in het eerste jaar 218 toeristen kwamen. Inmiddels is dat aantal gestegen naar meer dan duizend bezoekers per jaar. Zo´n tachtig boeren halen een aanvullend inkomen uit het toerismeproject. Cijfers waar de theeboerenassociatie voorlopig alleen nog maar van kan dromen.
De koffieboeren bereikten dit niet alleen. Vanaf 2004 raakte de Nederlandse organisatie Green Development betrokken bij KNCU. Een onderdeel van de steun aan KNCU werd het nieuw leven inblazen van het reeds gestarte toerismeproject. Daarvoor werd Harro Boekhold van Contour Projects, ontwikkelaar van duurzame toerisme-projecten, aangetrokken. Boekhold: “Er waren al hutten opgezet als toeristenaccommodatie, maar dit liep totaal niet omdat er niet was nagedacht over wat bezoekers willen. Mijn eerste stap was het opzetten van activiteiten. Als toeristen komen overnachten, willen ze natuurlijk ook iets doén.”
Zo ontstond in 2004 de koffietoer en werd er contact gelegd met de Nederlandse reisorganisatie Sawadee. Vanaf 2005 werd het ‘echt’ en werd de koffietoer een vast onderdeel van de Sawadee reizen die het gebied aandoen. Boekhold: “Het beviel toeristen zo goed, dat er al snel vraag kwam naar meer. Ze wilden blijven overnachten met hun kampeergroepen, dus legden we een campsite aan.”
Business
Inmiddels blijven veel groepen twee nachten, zijn er additionele toers opgezet en is de campsite uitgebreid met een restaurant. “In pakweg drie jaar tijd heeft het toerismeprogramma een mooie ontwikkeling doorgemaakt”, zegt Boekhold. “Puur zakelijk gezien - en zo moet je ernaar kijken want het blíjft business – zijn de inkomsten sterk gegroeid. De uitgaven per toerist zijn grofweg van 12 dollar naar 42 dollar gestegen. Geld dat geheel ten goede komt aan de koffieboeren en de KNCU.”
Green Development Foundation, sinds mei dit jaar opgegaan in de ontwikkelingsorganisatie Solidaridad, is niet de enige organisatie die community based toerisme in Tanzania ondersteunt. Tal van ontwikkelingsorganisaties en ambassades zijn zich de afgelopen jaren gaan richten op het stimuleren van toerisme waar de lokale bevolking wel bij vaart. Terecht, gezien de enorme groei van het toerisme in ontwikkelingslanden. In Tanzania is het na mijn- en landbouw het belangrijkste product en levert het een bijdrage van zestien procent aan het Bruto Nationaal Product.
Eigenwaarde
De Nederlandse ontwikkelingsorganisatie SNV heeft een grote invloed gehad op de community based toerismesector in Tanzania. Van 1996 tot 2001 zette SNV in samenwerking met lokale gemeenschappen een reeks cultureel toerisme-programma´s op. Tegenwoordig werkt SNV samen met de Tanzania Tourist Board aan het ondersteunen en ontwikkelen van lokale toerisme-initiatieven.
Harro Boekhold concentreerde zich vooral op een lange termijnvisie voor KNCU, zegt hij. “De denkwijze moest veranderen van “hoe gaan we dit morgen doen” naar “waar willen we uiteindelijk heen?” Ook kon hij veel betekenen bij het contactleggen met de reisindustrie.
Aan de voet van de Kilimanjaro beginnen de gidsen uit Rungwe lol te krijgen in hun rol als toerist en vragen de koffieboer het hemd van het lijf. “Hoe oud moet een boompje zijn voordat er koffiebonen aan groeien?” De koffieboer legt het hele groeiproces uit; van zaailing tot volwassen koffieboom. Dan mogen de ‘toeristen’ zelf ook bonen plukken, die later worden ontdaan van hun bast en uiteindelijk worden gebrand en vermalen.
Al wandelend is de groep getuige van typische dorpstaferelen. Vrouwen die met de dagelijkse boodschappen op hun hoofd naar huis lopen, mannen die in de bar lurken aan de rondgaande beker bananenbier. In hoeverre kan deze gemeenschap de druk van duizend toeristen per jaar aan? “Een lastig punt”, geeft Harro Boekhold toe. De koffietoer wordt tegenwoordig dan ook op drie verschillende lokaties gehouden.
Boekhold heeft de gemeenschap ook wel zien veranderen in de paar jaar dat ze bezoek krijgt van toeristen. Maar dan vooral in positieve zin. “Mensen hebben meer eigenwaarde gekregen omdat ze iets zíjn; tour guide, of campsite manager. Dat geeft een bepaald soort trots. Nadelen zijn er natuurlijk ook, maar die zijn moeilijk in te schatten. Vanaf januari 2008 zal een student zich bezig gaan houden met monitoring van de positieve en negatieve effecten van het toerismeproject.”
Dorpsdronkaard
Het toerismeproject heeft uiteraard consequenties op ecologisch gebied. Natuurlijke hulpbronnen, zoals water, moet de lokale gemeenschap nu delen met toeristen. Ook sociaal-economische gevolgen blijven niet uit. “Kinderen vragen toeristen nu al af en toe om geld. Dat gebeurde twee jaar geleden nog niet. Omgekeerd tasten dit soort ontwikkelingen ook de beleving van toeristen weer aan. Het doel van het programma is om toeristen een local life experience te bieden. Je kunt moeilijk voorkomen dat kinderen af en toe om geld vragen, en ook de dorpsdronkaard houd je niet uit de buurt van toeristen. Die is nou eenmaal óók onderdeel van het lokale alledaagse leven.”
Met dit soort problemen kampt het toerismeprogramma van de theeboeren nog niet. Zij ontvangen gemiddeld 30 bezoekers per maand. “Een klein aantal, maar het is een begin”, zegt David Limbakisya, coördinator van het programma. En hoe klein de inkomsten momenteel zijn, toch maakt het een verschil, vindt een van de gidsen. “Dorpen die meedoen krijgen een keer per jaar hun development fee uitgekeerd en kunnen daar bijvoorbeeld schoolmaterialen voor kopen. Mijzelf helpt het te sparen voor het huis dat ik al een tijdje aan het bouwen ben.”
Als tien procent van de half miljoen mensen die Tanzania bezoeken een culturele toer zou doen, levert dat een half miljoen dollar aan inkomsten voor lokale gemeenschappen op, zo becijferde SNV. Maar de ervaring in Rungwe leert dat met name mensen die zelfstandig reizen, geen geld over hebben voor een toer, of een lokale gids overbodig vinden. “Je kunt ook best zonder begeleiding een berg beklimmen of een theeplantage bezoeken”, meent Limbakisya, “maar waarom zou je niet een kleine bijdrage willen leveren aan de ontwikkeling van de gemeenschap? De informatie die wij je kunnen geven over het gebied en de mensen, is ook wat waard. We kunnen het nu ook nog eens mooi vertellen. Dat hebben we wel geleerd bij de koffieboeren.”
2007 | 