2007 | 2007-06

Langs de Nederlandse slavenroute in Ghana

De Ghanees David VanDijk zit er niet mee dat hij een nazaat is van een Nederlandse slavenhandelaar. En ook de meeste ander Ghanezen gaan pragmatisch om met het slavernijverleden, ontdekten journalist Jeroen Junte en fotograaf Hans van Rhoon op hun zoektocht naar sporen van de Nederlandse slavenhandel aan de ‘Goudkust’.



 

“Ik hoop dat u veel wijze lessen heeft geleerd van het verleden en alles wat hier heeft plaatsgevonden.” Met een vriendelijke lach beëindigt de gids zijn rondgang door de slavenkerkers van fort Lijdzaamheid aan de kust van Ghana. Nog één vraag heeft hij voor zijn gasten. “Een kleine bijdrage voor de restauratie van dit unieke historische erfgoed.” Voor dat doel heeft hij zijn rechterhand reeds uitgestoken.
Inderdaad kan dit fort van waaruit in de zeventiende en achttiende eeuw slaven werden verscheept naar Brazilië, Suriname en andere landen in de Nieuwe Wereld wel wat onderhoud gebruiken. De muren zijn weliswaar nog volledig intact – bouwen konden ze wel, die Hollandse zeelui. Maar de houten luiken hangen scheef in de vermolmde kozijnen. In de vloeren zitten gaten en het steen is bedekt met een dikke laag mos. Of de paar dollar die in de broekzak van de gids verdwijnen voor herstel worden gebruikt, is de vraag. De gids kan het even goed gebruiken als een welkome aanvulling op zijn karige dagloon. En geef hem eens ongelijk?
Om zijn magere middel hangt een gerafelde broek en zijn gebit is bruin en gehavend. Waarom geld steken in oude stenen als hij en zijn familie moeten vechten voor hun bestaan? En wie denken die blanke Europeanen trouwens wel niet dat ze zijn om hem af te schepen met een fooitje. Hebben ze eeuwen geleden al niet genoeg verdiend aan zijn voorvaderen.
Of is het juist de ultieme vernedering, dit bedelen in een slavenfort? Hier heeft toch immers een van de grootste misdaden tegen de menselijkheid plaatsgevonden, de trans-Atlantische slavenhandel. Of zoals veel Afro-Amerikanen zeggen: de Black Holocaust. Is enige terughoudendheid niet gepast op deze plek?
Een half miljoen slaven is weggevoerd uit de Goudkust, zoals Ghana toen nog heette. Ter illustratie: ruim tachtig procent van de Surinamers heeft roots in Ghana. Het jaarlijks Kwakoe Festival in Amsterdam is vernoemd naar het Ghanese woord voor woensdag, de dag waarop in 1863 slavernij werd afgeschaft. Maar met name jongeren zijn nauwelijks op de hoogte van wat onze voorvaderen hebben uitgespookt in Afrika. Veel aandacht is er ook niet voor dit verleden. Pas sinds drie jaar heeft Nederland een officieel slavernijmonument, in het Oosterpark in Amsterdam. Niets dan lof voor de VOC met zijn handelsgeest en pioniersdrang. Maar die andere koloniale onderneming, de West Indische Compagnie (WIC), daar hebben we het liever niet over. Thee en specerijen – daar verdienden we een fortuin mee, toch niet met slaven. En geen eenvoudiger manier om het geweten te sussen dan door het trekken van de portemonnee. Zo is het aantal particuliere ontwikkelingsprojecten in Ghana aanzienlijk.
Maar hoe gaat Ghana om met dit verleden? Overheersen daar zoals bij ons schaamte en schuldgevoel – ook de Afrikanen zaten immers ook tot over hun oren in de slavenhandel. Of zijn het juist woede en wrok die domineren?

Nederlandse achternaam
Van onderlinge wrok is bij Ghanezen in eerste instantie niet veel te merken. De animositeit tussen de verschillende stammen wordt tegenwoordig eerder gevoed door religieuze en economische verschillen dan door het verleden. De grootste in Ghana is tussen het arme, islamitische noorden en welvarende christelijke zuiden – dat het vooral de stammen uit zuiden waren die slaven uit het noorden haalden speelt in dit conflict oeen ondergeschikte rol.
Maar wat vooral opvalt, is dat slavernij in Ghana geen taboe is, zoals bij ons. Er wordt open over gepraat – óók over de collaboratie met de blanke slavenhandelaren. “Mijn voorvaderen hadden ook slaven”, zegt Wura Mahama Atumanana (75 jaar), chief van Salaga. Dit stadje aan de uitlopers van de machtige rivier Volta was twee eeuwen lang het centrum van de west-Afrikaanse slavenhandel. “Alleen waren dit huisslaven, die deel uitmaakten van het huishouden. Ze aten mee en sliepen in hetzelfde huis.”
Ook was slavernij al wijdverbreid voor de komst van de Europeanen. “Maar de slaven die destijds werden verhandeld behoorden tot andere stammen dan mijn voorvaderen, dat rechtvaardigde in hun ogen de handel. Al wisten ze donders goed dat deze slaven niet voor huiselijk gebruik waren bestemd maar werden verscheept.” De chief speelde een belangrijke rol in de slavenhandel. Soms trouwden ze ook met slavenmeisjes. “Door mijn aderen stroomt dus zowel het bloed van slaven als van slavenhouders. Wie ben ik dan om te oordelen over anderen?”
Maar niet alle Ghanezen zijn zich zo bewust van dit tweeslachtige verleden. Tienduizenden slaven moeten op het stoffige plein van Salaga zijn verhandeld. Nu verzamelen zich slechts rammelende bussen rond de baobab-boom. Alleen een groot bord met former slave market herinnert aan deze smet.
De man in de straat heeft ook wel andere zorgen dan het onrecht van twee eeuwen geleden. Zelfs als hij zelf een tastbaar bewijs daarvan is, zoals David VanDyck (ook Hollanders trouwden met slavenmeisjes). In Elmina, het vissersdorpje waar de West Indische Compagnie ruim anderhalve eeuw haar hoofdkwartier had, vertelt de 43-jarige Ghanees zijn verhaal – in ruil voor een colaatje. “Ik weet dat ik een Nederlandse achternaam heb. Maar verder weet ik niet zo veel van de slaventijd. Het is ook al zo lang geleden. Meer dan honderd jaar, toch?”
Onderwijs heeft de werkloze VanDyck amper gehad; en ook het schoolgeld voor zijn dochtertjes van negen en dertien jaar dreigt er bij in te schieten. Geen wonder dat hij een pragmatische kijk op het slavernijverleden heeft, net als de gids in fort Lijdzaamheid. “Nederland heeft geld verdiend aan ons in de slaventijd. Misschien is nu het moment om iets terug te doen.” Maar hoe nuchter en zakelijk de doorsnee Ghanees ook naar slavernij kijkt, zijn trots zal hij nooit verliezen. Geen Nederlandse afkoopsom dus maar liever een fabriek bouwen. “Dan hebben we tenminste werk.”

Jozef uit de bijbel
Pragmatisme, zelfs het officiële overheidsstandpunt is ervan doordrenkt. Deze maand wordt in Accra de aftrap gegeven van het Joseph Project. Om alle nazaten van slaven wereldwijd naar Ghana te krijgen zijn alle slavernijmonumenten in Ghana in kaart gebracht. Vervolgens is – in Afrikaans tempo – begonnen met de restauratie ervan. “We willen onze broeders en zusters in wereldwijde diaspora de mogelijkheid bieden om de slavenroute van hun voorvaderen van de kust naar het binnenland te volgen. Want als je niet weet, waar je vandaan komt, ben je verdwaald. En als je verdwaald bent, weet je ook niet waar je naar toe moet”, licht de minister van Toerisme & Diaspora Zaken Jake Obetsebi Lamptey toe.
Dat de start van het Joseph Project samenvalt met de grootschalige herdenking dat het dit jaar precies tweehonderd jaar geleden is dat slavenhandel door Engeland werd afgeschaft, is natuurlijk geen toeval. Netelige kwesties worden bij deze herdenking niet gemeden. Lamptey: “De Bijbelse Jozef, naar wie dit project is vernoemd, werd door zijn eigen broeders als slaaf naar Egypte verkocht.”
Pikant detail: de Jozef uit de Bijbel werd bevrijd en keerde als een rijk man terug naar zijn geboorteland. En dat ook de rijkdom van de “Afrikaanse Josephs” meer dan welkom is in het moederland Ghana, zal de minister niet ontkennen. “Maar”, zo zegt hij, “we hopen vooral dat onze broeders en zusters een maal weer thuis in de westerse wereld bijdragen aan een ander beeld van Afrika. Niets als het continent van honger en aids maar als bakermat van een beschaving die ook het Westen blijvend heeft beïnvloed, van Amerikaanse jazz tot de sambadans in Brazilië.”
Daarom wordt het Joseph Project afgetrapt met een massale healing in de tweede week van juli. “Om alle Afrikanen, afstammelingen van slaven én slavenhandelaren, met elkaar te verzoenen. Zodat we het trieste verleden gebruiken om een betere toekomst te bouwen.”
Ook Joseph Maisie, de 45-jarige directeur van het Nationaal Museum in de hoofdstad Accra, waakt voor een eenzijdige kijk op slavernij met een blanke boosdoener en het Afrikaanse slachtoffer. “Er was al slavernij vóór de komst van de Europeanen. En het was de blanke man die de slavernij heeft afgeschaft. Ook het onderwijs, een eerlijk juridisch systeem en democratie hebben we aan de blanken te danken. Maar de prijs die onze voorvaderen daarvoor hebben betaald was hoog, te hoog.”
Al moet de invloed van het slavenverleden niet worden overdreven, vindt hij. “Al ver voor de komst van de Europeanen was dit een van de meest welvarende en beschaafde gebieden van Afrika. De blanken hebben daar geen invloed op gehad. Die kwamen hun forten aan de kust niet uit. Daarom moeten we geen slaaf worden van ons verleden. Als we ons alleen maar zien als nazaten van slaven blijven we slachtoffer. We moeten weer leren om trots te zijn op onszelf. Zodat we ooit hopelijk ook zonder steun van het Westen kunnen. Het wordt tijd dat we echt onafhankelijk worden.”

‘Dutch houses’
Overal in Ghana zijn de sporen van het slavenverleden nog in het landschap te zien. In het uiterste noorden, letterlijk op de grens met Burkina Faso, ligt het voormalige slavenkamp Pikworo. Vanuit hieruit begonnen ontelbare slaven aan de wekenlange voettocht naar de kust. Gwollu is een stadje waar nog de restanten liggen van een drie meter hoge stadsmuur als verdediging tegen slavendrijvers. Het dorpsplein in Salaga, waar ooit de grootste slavenmarkt van westelijk Afrika was. En niet te vergeten Assin Manso, een riviertje op 70 kilometer van de kust waar de slaven gewassen werden voordat ze in de forten werden verkocht.
Maar het meest tot de verbeelding spreken toch de forten aan de kust. Opgetrokken in de achttiende eeuw, tijdens de hoogtijdagen van de slavenhandel. Sommige forten hebben een nieuwe bestemming gekregen; James Fort in Accra is tegenwoordig een gevangenis en in fort Good Hoop is zelfs een eenvoudig pension gehuisvest.
Van alle forten aan de kust is kasteel Elmina de meest indrukwekkende. En de meest Nederlandse. Vanaf de verovering op de Portugezen in 1637 was dit fort het Afrikaanse hoofdkwartier van de West Indische Compagnie, en daarmee ook meteen het Nederlandse centrum van de handel in menselijke waar.
De restauratie van dit slavenerfgoed is gefinancierd door de Nederlandse overheid en de Europese Unie. Maar het initiatief kwam van de locale overheid. “Toeristen bezoeken het fort nu nog als dagtrip. We willen het stadje zo aantrekkelijk maken dat ze een paar dagen blijven. Hun geld kunnen we goed gebruiken”, zegt Anthony Annan Prah (48 jaar), een van de coördinatoren van deze restauratie van alles Dutch in Elmina.
Een slavenfort als toeristische trekpleister. In Nederland zouden wij het niet in ons hoofd halen. Maar de Ghanezen gaan nu eenmaal wat pragmatischer om met het slavernijverleden. “Niets mooiers toch, dan als er uit iets slechts ook iets goeds voortkomt.”

Fotograaf Hans van Rhoon en journalist Jeroen Junte maakten een reis langs de voormalige slavenroute door Ghana, waarbij gesprekken over slavernij werden gevoerd Ghanezen uit alle lagen van de bevolking. Het verslag van deze reis werd van 1 juli tot 1 augustus 2007 tentoongesteld als expositie in het Wereldmuseum van Rotterdam.


Abonnee worden

Maandelijks op de hoogte gehouden worden van alle actualiteiten op het gebied van internationale samenwerking? 

Neem een abonnement op het gratis tijdschrift IS!

Ik wil graag abonnee worden
Ik wil iemand anders abonnee maken